Tadej Pogacar blijft de grenzen van het wielrennen verleggen en wetenschappers proberen almaar beter te begrijpen waarom. Een nieuw onderzoek brengt alvast een opvallend puzzelstukje aan het licht: de VO2-max van de Sloveense superster zou tussen 94 en 98 ml/kg/min liggen. Met een geschat gemiddelde van 96 beschikt Pogacar over een uitzonderlijke motor.
Greg Van Avermaet vroeg zich eerder dit jaar in de HLN Wielerpodcast al luidop af wat Pogacar zo bijzonder maakt. "Waar haalt hij fysiologisch zijn voordeel? Ze moeten die jongen eens in detail onderzoeken om te kijken wat ervoor zorgt dat die zo goed in elkaar zit."
LEES OOK: UCI-baas onthult precieze reden van nachtelijke dopingcontroles in de Tour
"Waar haalt hij zijn fysiologische voordeel?"Drie onderzoekers gingen op zoek naar een antwoord. Omdat de echte testresultaten van Pogacar niet publiek zijn, reconstrueerden ze zijn VO2-max aan de hand van prestaties op vier beklimmingen: Plateau de Beille en Isola 2000 in de Tour van 2024, Peyragudes in de Tour van 2025 en de Passo di Ganda in de Ronde van Lombardije van 2025.

Daarbij hielden ze rekening met tientallen factoren, van lichaamsgewicht en het gewicht van fiets en uitrusting tot luchtdichtheid, rolweerstand en vochtverlies. Hun model kwam telkens uit op een VO2-max tussen 94 en 98 ml/kg/min, met een gemiddelde van 96.
Bijna even straf als een wereldrecord
Dat zijn cijfers die zelfs in het profpeloton uitzonderlijk zijn. Een doorsnee niet-intensieve sporter zit rond 35 tot 40 ml/kg/min, terwijl profrenners doorgaans tussen 75 en 85 uitkomen. Greg LeMond werd in zijn topjaren gemeten op 92,5, terwijl Greg Van Avermaet 78 haalde. De officieel hoogste gemeten waarde staat op naam van triatleet Kristian Blummenfelt, met 101,1.
Om hun methode te controleren, pasten de onderzoekers hetzelfde model toe op ex-Tourwinnaar Chris Froome. Van hem is een echte laboratoriummeting van 84,4 bekend. Het model kwam uit op 85,3, wat de wetenschappers vertrouwen geeft in hun berekening voor Pogacar.
Een hoge VO2-max is bovendien grotendeels aangeboren en dus niet volledig trainbaar. Het vormt een belangrijk natuurlijk voordeel, al volstaat zo'n motor op zichzelf niet om een wereldtopper te worden. Oskar Svendsen liet dat in 2012 nog zien: de Noor werd in een labo gemeten op 96,7, maar brak nooit door als prof. De geschatte 96 van Pogacar is dus geen sluitend bewijs voor zijn dominantie, maar wel een opvallend stukje van de puzzel.
Mats Buelinckx