De discussie laait regelmatig op in de wielerwereld: wie is nu de grootste renner aller tijden? Is dat nog steeds Eddy Merckx, of heeft Tadej Pogacar hem inmiddels van de troon gestoten? Voor Roger De Vlaeminck bestaat daar geen enkele twijfel over.
LEES OOK: Grote handicap voor Van Aert in Roubaix: "Nog steeds een probleem"
5 per uur te snelDe Vlaeminck, zelf een van de grootste kampioenen uit zijn generatie, reed jarenlang tegen Merckx en weet dus als geen ander hoe dominant ‘De Kannibaal’ was in zijn tijd. In een interview met Humo schetst hij een beeld van een renner die simpelweg onklopbaar was, zelfs tegenover een peloton vol toppers.
“We reden en bloc met vijftien, twintig man achter hem. Stuk voor stuk goeie coureurs: Herman Vanspringel, Walter Godefroot, Frans Verbeeck, Freddy Maertens, André Dierickx, Marc Demeyer, en nog een pak sterke Italianen, zoals Gimondi, Dancelli, Adorni, Bitossi, Motta, noem maar op.”
“En nog kregen we hem niet te pakken. Integendeel, hij reed van ons weg. Dat heb ik niemand meer zien doen”, maakt De Vlaeminck duidelijk waar zijn voorkeur ligt. Om de suprematie van Merckx te onderstrepen, haalt De Vlaeminck ook een legendarische uitspraak vanonder het stof.
“Ik snapte dat 'subiet', vent. Al sinds de eerste keer dat ik tegen Merckx koerste. Wie zei er ook weer tegen Fred De Bruyne: ‘Hij rijdt 5 kilometer per uur te rap voor ons, Fred’?” Dat was Frans Verbeeck, nadat hij in de Ronde van Vlaanderen van 1975 tweede was geworden, op 30 seconden van Merckx.

'Ik mag dat zeggen'
Die uitspraak mag dan zelfs De Vlaeminck een tikkeltje overdreven vinden, zijn conclusie over de allergrooteste – ondanks een fenomenale Pogacar – blijft ongewijzigd. “Natuurlijk is Pogacar een heel goeie coureur, maar ik heb tegen Merckx gereden.”
“Ik heb het met mijn eigen ogen gezien en heb aan den lijve ondervonden hoe dat was: dus mag ik vinden en zeggen dat Eddy Merckx vandaag voor mij nog altijd de allergrootste is”, bestaat er voor ‘Monsieur Paris-Roubaix’ geen twijfel. “En vergelijken kun je toch niet, en dus kunnen we er maar beter over zwijgen.”
Kevin De Jonghe