Het voorjaar van Jasper Stuyven begint later dan gepland. Door ziekte moest de Belg van Soudal Quick-Step het openingsweekend met de Omloop Het Nieuwsblad en Kuurne-Brussel-Kuurne laten schieten, maar zondag staat hij wel aan de start van Parijs-Nice. “Het is gewoon fijn om nu weer gezond op de fiets te zitten.”
Stuyven liep de verkoudheid op tijdens de Ronde van de Algarve. In eerste instantie leek het nog mee te vallen, maar al snel werd duidelijk dat het openingsweekend te vroeg zou komen. “Woensdag voelde ik tijdens de verkenning al dat er een klein mirakel nodig zou zijn om te starten”, blikt hij terug bij Sporza. “Donderdagochtend werd duidelijk dat het niet slim zou zijn.”
LEES OOK: Flinke opsteker voor Stuyven en Soudal Quick-Step
Voorzichtig opnieuw opbouwenUiteindelijk besloot Stuyven geen risico te nemen en het openingsweekend over te slaan. Daardoor begint zijn klassieke voorjaar pas in de rittenkoers naar Nice.

In Parijs-Nice wil de 33-jarige Belg vooral opnieuw wedstrijdritme opdoen. “Ik heb deze week wel gefietst, maar dat is niet hetzelfde als koersen”, legt hij uit. “Ik heb vooral intensiteit nodig, zonder mezelf meteen kapot te rijden.”
Stuyven wil de week daarom voorzichtig aanpakken. “Parijs-Nice en Tirreno-Adriatico liggen dicht bij elkaar, dus het is belangrijk om een goede balans te vinden. Ik bekijk het dag per dag en zie wel hoe het gevoel is.”
Meer risico in het peloton
Als een van de meer ervaren renners in het peloton kijkt Stuyven ook met een kritische blik naar de evolutie van het wielrennen. Vooral de vele valpartijen tijdens het openingsweekend vielen hem op.
Volgens hem heeft dat te maken met de steeds grotere druk in de sport. “Het niveau ligt ontzettend hoog en de belangen zijn groot geworden. De wegen zijn niet breder, maar iedereen neemt meer risico.”
“Bij een 50/50-situatie denkt iedereen: waarom niet? Sponsors willen weten waarom je niet op het podium stond. Daardoor worden soms risico’s genomen die eigenlijk niet nodig zijn.”
Jonge generatie
Stuyven merkt ook dat jonge renners steeds vroeger onder druk staan om te presteren. “Voor veel jongens van achttien lijkt het tegenwoordig al een probleem als ze nog geen profcontract hebben”, zegt hij. “Toen ik achttien was, had je daar nog alle tijd voor.”
De Belg is daarom blij dat hij in een ander tijdperk prof werd. “Ik heb een jeugd gehad en ook een sociaal leven naast het fietsen. Dat kan voor deze generatie wel eens moeilijker zijn.”
Toch erkent Stuyven dat de nieuwe lichting indruk maakt. “Als je ziet wat jongens als Paul Seixas nu al doen, dan kun je alleen maar zeggen dat het werkt. Ze rijden de pannen van het dak. Ik ben vooral benieuwd hoe ze dat op langere termijn volhouden.”
WN Redactie